Op heel jonge leeftijd begon Jan Storms zijn spirituele queeste. Zijn drijfveren zijn het verwerven van “het ultieme kennen en kunnen” voor hemzelf en voor zijn medemens “geluk”. Jarenlang vond hij voor zijn ervaring van volstrekte vrijheid geen enkele spiegel. Hij schiep zelf technieken van geestelijke ontwikkeling en - om een geordend overzicht te houden - het passende begrippenarsenaal en denkraam. Hij concludeerde toen ondermeer tot het illusoire karakter van “tijd” en achtte perceptie van “de wereld” een gevolg van een geconditioneerd functioneren van de geest. Een korte, tere botsing met Ramana Maharshi’s “wie stelt de vraag?” bracht hem ertoe zich te verdiepen in de aloude vedische kennis van bewustzijnsontwikkeling.
Jan Storms is ingewijd in de vedische en tantrische tradities. Hij ondernam een academische studie van de vedische wetenschap en bestudeerde een rist van exacte- en menswetenschappen in het licht van de fundamenten van de vedische wijsheid. Hij geeft onderricht in bewustzijnsontwikkeling en begeleidt zoekers, puttend uit “het straaltje helderheid dat er toevallig is en met de woorden die dan opwellen.” Bijzonder geïnteresseerd is hij in het initiëren van cultuurtransformaties in organisaties en volksgroepen.
Zijn lijfspreuk ontleent hij aan de Chandogya Upanishad: “Er is geen vreugde in het kleine; het oneindige is vreugde.”
Het politieke programma van Jan Storms is het simpele antwoord op één enkele vraag: “Wat is er nodig voor het geluk van de mensen?” Dit antwoord, de “politiek van het geluk,” verschilt van de politiek zoals we die kennen als de middag van de nacht. De “reële politiek” is, in de mate waarin hij lijden teweegbrengt of de creativiteit belemmert, beneden de menselijke waardigheid. De “politiek van het geluk” is de daadgeworden philosophia perennis. Politiek die voortvloeit uit de eeuwige wijsheid is in alle omstandigheden een concrete stap dichter bij onbekommerd, mateloos geluk.
Omdat geen enkele van de gangbare economische theorieën het begrip “waarde” een solide definitie geeft, formuleerde Jan Storms een “absolute waardeleer”. Hiermee geeft hij een aanzet voor een meer “wetenschappelijke” economische wetenschap. Een van de consequenties van deze absolute waardeleer is de mogelijkheid, wenselijkheid en noodzaak van onbegrensde economische groei. Deze wordt afgemeten aan de kwaliteit van het leven.
Op ongezette tijden verhevigt zijn taal zich tot poëzie: “mijn lichaam is een lucifer/aangestreken in een kamer/verzadigd vam benzinedamp.” Als minnaar van de “zuivere poëzie” breekt, verpulvert en kneedt hij zijn taal, zoals de schilders van weleer hun verf bereidden. Hij delft en brengt nieuw leven in de poëtische kracht van het Nederlands. Een enkele van zijn taalscheppingen is gemeengoed geworden: het woord “webstek” (voor het Engelse “website”) is opgenomen in woordenboeken. Een gedicht uit zijn werk is hier te lezen.
liefde is: blind zijn en dan behoedzaam je gehoor ontbossen
Zijn lezingen kunnen, afhankelijk van het onderwerp en het publiek, een uitdaging zijn. Ze gaan van droge, abstracte uitspraken over de aard van de werkelijkheid, naar praktische, in zware grond gepootte oplossingen voor concrete problemen, en versnellen soms het hart in extatische poëzie.